“Ik wil het taboe van slechte adem doorbreken”

Edwin Winkel (60) is een dag per week bijzonder hoogleraar speciële parodontologie, in het bijzonder halitose, aan het UMC Groningen. Hij werkt daarnaast in de Kliniek voor Parodontologie Amsterdam.

“Ik houd me al achttien jaar bezig met slechte adem oftewel halitose. Een goede vriend van me die in Amerika woont en daar een halitosespreekuur verzorgt, heeft me op dit spoor gezet. Ik ben de eerste die het probleem in Nederland echt op de kaart heeft gezet. Eerst dachten we dat er een specifieke bacterie verantwoordelijk was voor halitose. Als we die bacterie zouden vinden, konden we antibiotica voorschrijven om het probleem te behandelen. Maar gebleken is dat de mondflora van halitosepatiënten hetzelfde is als van ‘gewone’ patiënten. Momenteel onderzoeken we waarom de een wel een tongcoating heeft – waardoor hij uit zijn mond ruikt – en de ander niet. Uit een peiling van het televisieprogramma Radar onder vijftigduizend mensen, blijkt dat ongeveer acht procent van hen elke dag weleens een moment heeft waarop hij denkt een slechte adem te hebben. Eén procent denkt de hele dag door een slechte adem te hebben. Dat is nogal wat.

Er is een duidelijk onderscheid tussen intraorale en extraorale halitose. Intraorale halitose wordt veroorzaakt door een probleem in de mond. Dit is bij zo’n negentig procent van de patiënten het geval. Deze halitose kunnen we als tandartsen goed zelf behandelen door de patiënt de juiste mondhygiëne-instructies mee te geven op het gebied van tandenpoetsen, gebruik van mondwater en tongschraper. De rest van de halitose is extraoraal. Hierbij ruikt iemand ook uit de neus. Is er in dat geval sprake van een kno-probleem, dan verwijs ik naar een kno-arts. Soms komt de slechte adem uit de longen, de zogeheten bloodborn halitosis, dan is het iets voor de internist. Een van de moeilijkste categorieën zijn patiënten die gassen in het bloed hebben die door een enzymgebrek niet goed door de lever worden afgebroken. Een voorbeeld is dimethylsulfide dat veel in bier zit. Als dit gas niet wordt afgebroken maar via de longen wordt uitgeademd, geeft dit een vervelende zoete geur. We weten nog niet goed hoe deze patiënten te behandelen, wellicht met een dieet.

Je moet de diagnose halitose zeer zorgvuldig stellen, omdat je zoveel mogelijk oorzaken moet kunnen uitsluiten. Doe je dat niet, dan nemen met name pseudo-halitose patiënten niets van je aan. Zij denken dat ze een slechte adem hebben terwijl er niets aan de hand is. Een graadje erger zijn patiënten met halitofobie. Die zijn bang dat ze halitose hebben en blijven in die gedachte hangen. Deze groep stuur ik naar de huisarts voor verwijzing naar een psycholoog. Het draaien van een halitosespreekuur vergt veel van de behandelaar, omdat slechte adem een grote impact op iemands leven kan hebben. Mensen leven vaak al heel lang met het probleem. Gemiddeld duurt het zo’n vijf jaar voor ze bij mij komen. Soms komen ze als psychisch wrak binnen omdat ze door hun probleem een relatie hebben zien stranden of hun baan hebben verloren. Niet iedereen kan dit werk doen, je moet wel eelt op je ziel hebben. Ook moet je als behandelaar ruiken aan de mond en neus en dat is geen pretje. Toch is het fantastisch om mensen van hun halitose te kunnen afhelpen. Mijn missie is het taboe van de slechte adem in Nederland te doorbreken en iedereen een frisse adem te geven.”

Specialisme: 
Parodontologie